Onderduikers De Hout (Hoogkarspel)

In het vroegere Kamp Amersfoort is vrijdag 27 maart 2015 een monument onthuld om eer te bewijzen aan de honderdduizenden Nederlandse families die in de Tweede Wereldoorlog onderduikers  een schuilplaats boden. In mijn ‘oude doos ‘ heb ik een verhaal dat Alie Schneiders-Commandeur in 2002 schreef over het joodse meisje Steffi Tikotin  en de Amerikaanse piloot Arthur Brown  die in de boerderij van de familie Commandeur in De Hout bij Hoogkarspel uit de handen van de Duitse bezetters bleven. Het verhaal heb ik hier en daar wat veranderd en ingekort.   

Steffie Tikotin als dochter van een joodse fabrikant op 31 mei 1924 geboren in Dresden, Duitsland, vluchtte na de beruchte Kristallnacht met haar ouders naar Nederland. In de Kristallnacht  van 9 op 10 november 1938 voerden de nazi’s een verwoestende actie uit tegen de joodse bevolking. Meer dan duizend synagogen werden in brand gestoken, ook scholen, ziekenhuizen, woningen en bedrijven moesten het ontgelden. De brandweer werd verboden te blussen.  Maar ook in Nederland was de familie Tikotin weinig rust gegund. In 1942 werden Steffie en haar ouders overgeplaatst naar het bedrijventerrein Fokkereiland in Amsterdam-noord. Het eiland had maar één uitgang.
Nog dezelfde dag, en nog net nop tijd,  gebood vader Steffie een veiliger weg te gaan. “Doe je ster af en ik zal je met de tram naar mensen brengen die verder voor je zullen zorgen.” Het was de laatste keer dat Steffie haar ouders zag. Vlak voor het einde van de oorlog eindigde hun leven in een concentratiekamp. Steffie kwam via de ondergrondse terecht bij een wijkzuster in Berkhout, waar ze de hele dag boven in een slaapkamertje moest blijven. Op een zekere avond kwam een politieagent met de boodschap “zuster als  u een logé heeft dan moet die onmiddellijk weg.” Steffie vluchtte in het donker, verzetsman Dirk Laan bracht haar naar de familie Commandeur in De Hout bij Hoogkarspel. Ze zou er maar een week zijn, maar bleef er tot ver na de oorlog. Ze paste zich goed aan en had het geluk van dezelfde leeftijd te zijn als de zusjes Commandeur waarvan de moeder kort daarvoor was overleden.  Steffie had het goed naar de zin met haar leeftijdgenoten, maar ze moest altijd oppassen, want ze had een mooi maar ook echt joods uiterlijk. Als de zware ijzeren poort voor de boerderij open werd geduwd maakte hij een piepend geluid. En dan moest Steffie snel naar een veilige schuilplaats.
Bij de familie Commandeur verbleef ook  enige tijd Jo Bregman uit Hem. Hij was opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland en ging er met een stel andere jongens naar toe. Althans zo leek het. Hij kwam niet aan in Duitsland, maar waar was hij gebleven ? Zelfs de kinderen Commandeur kwamen er pas na enkele weken achter dat Jo in hun huis verborgen was.

Amerikaan
In juli 1944 kwamen twee Lancastervliegtuigen met elkaar in botsing en ze stortten neer in Hoorn. Acht dagen later liepen wij, schrijft Alie Commandeur, op een zondagavond naar de overkant van ons huis. Tegen een opper hooi vonden wij een man in grijs uniform die er lag te slapen. Hij veinsde dat hij er aan het werk was, maar zei al gauw “I am een American. “ We namen hem mee naar huis. Verzetsman Freek Luider voorzag hem van burgerkleding, voedselbonnen en een persoonsbewijs met als beroep een doofstomme horlogemaker. Later vertelde hij dat hij Arthur Brown heette en zich met een parachute in Hoorn had kunnen redden. In struiken had hij zich voor de Duitsers kunnen verbergen. ’s Nachts liep hij langs de spoorlijn Hoorn-Enkhuizen, voedde zich met wat hij vond in tuintjes  en met tabletten ‘concentrated food’ en hij had pilletjes bij zich om slootwater te zuiveren. Na enige maanden kon hij met behulp van de ondergrondse via België, Frankrijk en Spanje terugkeren naar zijn Amerikaanse basis. Na de oorlog is hij nog een paar keer bij de familie in De Hout geweest.   
Voordat het hooi binnenkwam in de boerderij waren voor de onderduikers gangen uitgespaard onder het hooi met een entree onder de bedstee. Op een dag zaten Steffie en Arthur Brown in het zonnetje verscholen achter de grassilo toen een auto met Duitsers voor de poort stopte. Vader Commandeur stond op het pad te praten met bakker Ente Breed en hij liet zich van schrik ontvallen ‘O, Maria, help ons.’  Hij liet Ente staan en waarschuwde voorzichtig Arthur en Steffie. Die kropen vliegensvlug naar een schuilhol onder het hooi. Maar gelukkig reed de auto weer verder.

Meer onderduikers
We kregen nog meer onderduikers. Flip Fluitman, commandant van de knokploeg Enkhuizen, vroeg voor enkele van zijn mannen onderdak op een van de zolders. Maar het werden er steeds meer. Bij nacht trokken ze er op uit om sabotage te plegen.  Distributiekantoren en vlees- en kaasfabrieken werden leeggehaald voor extra voedsel in ziekenhuizen. Op een nacht was een dropping van wapens verkeerd terechtgekomen. Dus sleepten de mannen van de knokploeg  alles bij ons naar binnen. Koestallen vol met stenguns en bazooka’s. In de hooiberg binnen hingen kleurrijke parachutes te drogen.  Maar dezelfde dag stonden plotseling twee agenten in de koegang. “Er zijn koeien gestolen in de Streek en alle sporen leiden hierheen”, zeiden ze grimmig. Maar dat waren sporen van de knokploeg. Na goed begrepen overleg met Flip Fluitman gebeurde er verder niets.
In een gezin met jonge mensen in penibele omstandigheden viel er soms toch veel te lachen. Maar ook de voortdurende zorg voor elkaar in een moederloos gezin met de wetenschap dat we ieder moment overvallen konden worden, smeedde een sterke band. ’s Nachts slopen we bij het minste gerucht het bed uit om naar buiten  te gluren; zijn we misschien verraden ? Als we weg waren geweest en de boerderij  zagen, zuchtten we ‘gelukkig, alles staat er nog.’  Want we wisten dat bij een overval het huis in brand zou worden gestoken en de mensen doodgeschoten zouden worden. Het stelde ons gerust toen we anderen hoorden zeggen “bij Commandeur kunnen ze ook welk eens wat doen voor de goede zaak en een onderduiker nemen.” Dat bevestigde immers dat we voorzichtig waren geweest.
In de hongerwinter 1944-1945 kwamen rijen Amsterdammers te voet of op de fiets om aardappelen en ander voedsel te halen. Maar  tenslotte hadden we zelf niets meer en moesten we naar de gaarkeuken in Hem.  Dit alles heeft grote invloed gehad op ons leven.  Dat geldt natuurlijk ook voor Steffie. Ze is onze zuster gebleven tot ze enkele jaren geleden is overleden.

Een Engelse filmploeg heeft het leven van Steffie verfilmd. Ook het leven nop de boerderij. De documentaire, door Steffie op aangrijpende wijze verteld, is twee keer in Engeland en twee keer in Nederland uitgezonden.

Mevrouw Schneiders-Commandeur is nu (maart 2015) 92 jaar. 


 (Zie  ook op mijn website het artikel Jongenskoor Bovenkarspel)